Umdè ut Hèlemòns dè verdyynt is òns dyelèkt àlvàst klañkzôôjver vààstgeleet vur straks às de lèèsten Hèlemònse mèns is ôôjtgeprôt.
Umdè ut Hèlemòns dè verdyynt is òns dyelèkt àlvàst klañkzôôjver vààstgeleet vur straks às de lèèsten Hèlemònse mèns is ôôjtgeprôt.

Stukske 12

Eén klinker, twee verschillende letters? 

De volwassene heeft uitgedacht dat bij een dubbele medeklinker bv. ‘pp’ (kop/koppen) de klinker ervoor gewoon blijft wat ie is. Terwijl bij één ‘p’ (kopen) de letter daarvoor vreemd genoeg als ‘oo’ dient worden uitgesproken. Dus wat erna komt, bepaalt blijkbaar dat wat je ervoor had moet lezen anders moet klinken. Hogere wiskunde! Er is meer onlogisch in onze spelling waar we als Nederlander al niet meer bij nadenken. Toen een meisje, net uit Polen, in de NT2-klas waar ik meester was duidelijk boo-èk las, maakte ik haar complimenten. “Goed zo, Wiktoria, boo-èk. Maar weet je, de volwassenen in Nederland zeggen daar boek tegen.” Verbazing bij Wiktoria. “Wie gebruikt er nou voor één klinker twee verschillende letters,” moet ze gedacht hebben. Ik vond en vind dat Wiktoria gelijk had. Kinderen zijn zo dom nog niet. De volwassenen doen rare dingen. Voor onze oe heeft Wiktoria, en veel landen met haar, eenvoudigweg de ‘u’. Dat begint al in Duitsland met ‘Du’. Het Nederlands is in dit geval de uitzondering. Elke Nederlandse ‘u’ of ‘uu’ klinkt voor de niet-Nederlander als onze oe. Vergissingen zijn dan ook gauw gemaakt, getuige de sketch van Najib Amhali die zijn Spaanse buurman ten tonele voert die ook huursubsidie wil ontvangen, want de huur is duur. Spreekt voor zich. En anders even op YouTube kijken bij hoersubsidie.

Boek en bûk

Als Wiktoria al moeite had met de Nederlandse oe, wat heeft ze dan getrubbeld met de ie en de eu. Nederlands is voor een niet-Nederlander al lastig genoeg, maar onze onlogische spelling maakt het helemaal moeilijk. In ut Hèlemòns heb ik gezocht naar steeds één letter voor één klinker met hooguit een verdubbeling ervan als die klinker lang is. Voor de Nederlandse oe ben ik uitgekomen bij het bekende Friese skûtsjesilen. Alhoewel het een eigen taal heeft, valt Friesland gewoon binnen onze landsgrenzen. Het vreemde is dat nog niemand ooit vragen in de kamer gesteld heeft over die gekke ‘û’ en de uitspraak ervan klakkeloos aanneemt. Welnu, dan in ut Hèlemòns, dat toch ook een eigen taal heeft, voortaan de oe als û geschreven. Boek wordt dan bûk. Dè bedûl ik. Even wennen, maar het is daarna ook nooit meer anders. Op ut lèèrplèñkske vind je sûk als verzamelnaam voor een hond. Vroeger noemden we een zwerfhondje steevast ne sûk, maar ook wel fikkieAls loslopend scharminkel had het zielige beestje natuurlijk geen eigen naam. Niet nodig ook. Het luisterde toch niet. In sûk zit de korte ‘û’. We kennen in ut Hèlemòns ook een lange ‘û’ in bv. skûûn. Zelfs het Standaardnederlands heeft hem, maar dan verdekt opgesteld. Want als we boer zeggen, dan maken we automatisch de oe lang. Echt waar. Probeer maar eens boer te zeggen met een korte oe. Dat gaat niet en het ligt aan de ‘r’. In ut Hèlemòns schrijven we altijd de lange klinker met een verdubbeling. Boer wordt dan bûûr. Dès àndere kûk. Pas op! Nederlandse boerenkool, met automatisch een lange oe wordt in ut Hèlemòns: bûrekól en bûremûs met een korte ‘û’. En waarom dan wel? Omdat we het zo uitspreken. Zo is het ook: bûrin, bûrderèèj, mar n’m bûûr bly ààlt n’m bûûr. Dè zèğik û.

Klètje

Moeder tegen zoon: “Jòñe, ğô vur meen is nôr de kaaswinkel ne kyloo kèès haale.”

Jos Leenen
www.detaalvanhelmond.nl