
Uitgangspunt: Je schrijft het zoals je het zegt en je zegt het zoals je het schrijft
Om het goed te kunnen schrijven dien je je dialect wel goed te spreken, anders schrijf je wat niet bestaat. Maar om het goed te kunnen lezen, Hèlemònder of niet- Hèlemònder, nu of in de toekomst, hoef je alleen maar te kunnen lezen wat er staat. Zo gauw je het leerplankje onder de knie hebt, kun je ut Hèlemòns lezen. Er gebeuren geen rare dingen, er zijn geen uitzonderingen, het blijft consequent. Eenmaal afgesproken, blijft het ook zo. Spellingregels ontbreken waardoor het niet langer nodig is om in een moeizaam jaren vergend proces te leren lezen wat er niet staat. Er zijn slechts 19 medeklinkers en 26 klinkers te leren, die onveranderlijk zijn. Kost dat in het begin als buitenstaander nog wat moeite, dan schaft het leerplankje raad. Door bij lastige meerlettergrepige Hèlemònse woorden terug te vallen op die dertig op het plankje, kom je er altijd uit. Alhoewel het voor velen in het begin niet zo kan lijken, is de spelling van ut Hèlemòns een vergaande spellingvereenvoudiging.
Kort/lang op het leerplankje
Wat kort klinkt wordt zonder uitzondering kort geschreven met één klinker (eerste en derde rij). Wat lang klinkt wordt lang geschreven door de klinker te verdubbelen (tweede en vierde rij). Uitzondering: een ‘i’ (skip) die aangehouden wordt klinkt als ee (skeet). Ook in het Nederlands is dat zo. Vandaar dat voor ee gekozen is en niet voor ii als verdubbeling van ’i’. Zo klinkt ook de Nederlandse lange ‘u’ als eu (Rus/reus). Omdat één klank in ut Hèlemòns nooit twee verschillende letters krijgt, wordt de eu uit het Standaardnederlands de øø (de Deense Søren Lerby). De uu is niet de verdubbeling van ’u’ maar van ’ü’ (küs/uul).
Eind-n en Eind-b
De Nederlandse wel geschreven maar niet uitgesproken eind-n wordt in ut Hèlemòns niet uitgesproken en daarom niet geschreven. Ramen = rôôme en deuren = dure. Maar pas op! Ramen en deuren wordt rôôme n’èn dure, waarbij de ‘n’ functioneert als verbinding naar de klinker van èn, maar niet als eind-n van rôôme. D’n Hèlemònder houdt niet van twee botsende klinkers, in dit geval de onbeklemtoonde e en de è. De tussen-n maakt een subtiel bruggetje. We wisten al dat waar het Nederlands op het eind van een woord een ‘d’ schrijft, ut Hèlemòns een ‘t’ noteert, eenvoudigweg omdat dat letterlijk zo hoort (màànt, hòònt). Voor de ‘b’ gold iets soortgelijks. “Ik heb ...” wordt dus ”Ik hèp …” Pas op bij bv. “Dat heb ik niet graag.” Dat wordt: ”Dè hèbik ny ğèèr.” of “Dè hèbik nój.” De ploffende ‘p’ wordt zonder problemen ingeleverd voor een verbindende ‘b’. “Ik hèp naw wèl dur hû ut zit. Ik hèbut naw ğesnapt, dèñk ik.” Oover rèèğen prôôte we nôg.
Vrijstelling
Wie als Hèlemònder het plaatje herkent, kent daarmee het woord. Maar zoals je al wel weet, een Hèlemònder hoef je niet te leren hoe hij Hèlemòns moet schrijven, laat staan moet spreken. Hij heeft als Hèlemònder automatisch vrijstelling, omdat alle kennis, vaardigheden en diploma’s al met de paplepel in zijn bezit zijn gekomen. Omdat d’n Hèlemònder mòntfyàt ğenóg is, is hij gevrijwaard van verdere studie. Waarom zou je je behelpen met een leer-plankje als je alles al geleerd hebt. Nee, het gaat nou juist om het vastleggen voor niet-dialectsprekers en toekomstige generaties.
Dè kumt nog bón/bòn: één klinker met verschillende tongval of 2 verschillende? Kaater of kater? Kòme of kòmme?
Jos Leenen
www.detaalvanhelmond.nl